| BGA | Artikelen | Discussie | Reactie | Over BGA | Boeken | Links | Engels (English) |
|
|
DE KONINGIN VAN SEBA/SCHEBA (1 KONINGEN 10) Inleiding Op grond van de genoemde legendevorming en de datering van het boek Koningen in de tijd van de Babylonische ballingschap hebben veel geleerden in de afgelopen twee eeuwen aangenomen dat de historiciteit van dit bezoek twijfelachtig is, en dat de auteur slechts om literaire redenen dit gedeelte opgenomen heeft: daardoor komt de wijsheid en macht van Salomo des te beter tot uiting. Recent schreef H. Jagersma nog in zijn bijbelverklaring: ‘Over de precieze tijd van handeling aangaande dit verhaal kan niets met enige grond van zekerheid worden aangegeven’ en ‘De vragen wie deze koningin van Seba was en waar dit Seba lag, vallen niet te beantwoorden’.[4] In het onderstaande zal echter blijken dat er de laatste jaren heel wat bruikbare aanwijzingen gevonden zijn. Het land Seba/Saba
In de
tijd van Salomo lagen in het noorden van
Arabië de koninkrijken van
Kedar, Dedan en Lihyan, maar er zijn geen aanwijzingen dat daar ooit een
koninkrijk Saba of Seba geweest is. De hoofdstad van Saba bevond zich op de
plaats waar tegenwoordig Marib ligt.
In Marib zelf is in de periode
van 2300 tot 940 v. C. een georganiseerde samenleving teruggevonden, met een
sterk ontwikkelde irrigatietechniek.[8]
Assyrische teksten in de late 8e en vroege 7e eeuw noemen
Itamru en Karibilu als koningen van Saba, behorend tot de Jeminitische
opperheersers (mukarribs). Assyrische bronnen vermelden ook Koningin In een tijd dat er meestal koningen aan de macht waren, is het bezoek van een koningin opvallend. Haar precieze status is echter niet duidelijk. Was ze alleenheerser? Of handelde ze namens haar echtgenoot? De tientallen namen van heersers over Saba die genoemd worden in de gevonden inscripties, behoren alle aan mannen toe. Het is echter goed denkbaar dat ze in opdracht van haar echtgenoot de reis ondernam. Er zijn genoeg voorbeelden bekend van Noord-arabische koninginnen die zulke rollen vervulden. Ook waren er in die eeuwen koninginnen in Noord-Arabië die zelf regeerden. Het laatste voorbeeld daarvan was Te’elkhunu in 691 v. Chr.[10] De reden van haar komst Bij diplomatieke bezoeken is er over het algemeen meer aan de hand dan een bezichtiging van de plaatselijke kunstschatten en het stellen van vragen (raadsels). Gedurende de 9e en 8e eeuw reisden handelskaravanen van Saba in het zuiden naar Assyrië in het noordoosten, en ook naar Kanaän en andere landen rond de Middellandse Zee. Dit moet ook in eerdere eeuwen het geval geweest zijn. Na lange tijd zonder schrift gewerkt te hebben, kwam de schrijfkunst in Saba op in de 13e en 12e eeuw, vermoedelijk onder invloed van de internationale handel.[11] Het is aannemelijk dat de Sabeeërs in de tijd van Salomo hun handelsroutes verder uitbouwden in de richting van de Levant en Mesopotamië.[12]
Net voor, maar ook in de bijbelse beschrijving van het bezoek van de koningin lezen we over koning Chiram (SV: Hiram) van Tyrus en Salomo die scheepsexpedities organiseerden van de Golf van Akaba (vanuit Esjon-Geber) via de Rode Zee naar Ofir, waardoor zij goud, almuggimhout en edelstenen kregen (1 Kon. 9:26-28; 10:11-12). Waar lag Ofir? Vermoedelijk ergens ten westen of ten oosten van de Rode Zee.[13] Ten westen, achter de bergen van de Rode Zee, in het huidige Soedan, lag het land ‘Amau, met ‘het goud van ‘Amau’ van de Egyptenaren. Wanneer Ofir ten oosten van de Rode Zee lag, komen we in westelijk Arabië terecht, in het gebied ten zuiden van Medina. Wanneer Ofir in Soedan gezocht moet worden, zou dat de handel van Saba niet direct beïnvloeden, maar in het andere geval, als Ofir in Arabië lag, zou dat een concurrentie zijn met de landroutes van de Sabeeërs door dit gebied! De koningin bracht veel goud mee. Zouden Chiram en Salomo direct contact gelegd hebben met een van Saba’s goudbronnen? Zouden ze ook op die manier specerijen en andere goederen kunnen krijgen, zonder tussenkomst van de Sabeeërs? Wanneer zulke belangen op het spel stonden, was een handelsdelegatie natuurlijk noodzakelijk. Een dergelijk verband wordt min of meer gesuggereerd door de afwisseling in de opbouw van 1 Koningen 9-10. a) 9:26-28 vloot naar Ofir b) 10:1-10 bezoek van de koningin c) 10:11-12 vloot naar Ofir d) 10:13 terugtocht van de koningin.
De tweede vermelding van de vloot lijkt het verhaal te onderbreken. Of is dit een bewuste compositie? Beide activiteiten, de scheepvaart en de handelsdelegatie, lijken daarom concurrerend te zijn. Verdergaand op deze gedachte is het mogelijk dat een overeenkomst bereikt is: de schepen vervoerden het zware materiaal: hout en goud, terwijl de kamelen vooral specerijen meedroegen. Wat er ook waar is van deze veronderstelling, de geschiedenis leert ons dat deze scheepvaart na enige tijd beëindigd werd (vgl. 1 Kon. 22:49), terwijl de specerijenhandel meer dan duizend jaar doorgegaan is met behulp van kamelen. De specerijen kwamen uit het zuiden van Arabië, ten oosten van Saba. dr. M.J. Paul De rest van het artikel vindt u in het nummer van BGA van maart 2007. Dit nummer kunt u bestellen door 2 euro over te maken op giro 1374415 van BGA te Kampen.
[1]
Vgl. E. Ullendorff, ‘The Queen of Sheba in Ethiopian Tradition’, in J.B.
Pritchard (ed.), Solomon and Sheba, London, 1974, p. 104-114.
Zie verder de websites
http://www.isidore-of-seville.com/sheba en
http://www.windweaver.com/sheba/Shebahome.htm.
Laatste wijziging: 30 april 2007 |
|
BGA |
Artikelen |
Discussie |
Reactie |
Over BGA |
Boeken |
Links |
Engels (English)
Copyright © 1999 Stichting Bijbel, Geschiedenis en Archeologie |
|